In den beginne was het Woord en
het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in den beginne bij
God. Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding
geworden, dat geworden is. In het Woord was leven en het leven was het
licht der mensen; en het licht schijnt in de duisternis en de duisternis
heeft het niet gegrepen. Er trad een mens op, van God gezonden, wiens
naam was Johannes; deze kwam als getuige om van het licht te getuigen,
opdat allen door hem geloven zouden. Hij was het licht niet, maar was om
te getuigen van het licht. Het waarachtige licht, dat ieder mens
verlicht, was komende in de wereld. Hij was in de wereld, en de wereld
is door Hem geworden, en de wereld heeft Hem niet gekend. Hij kwam tot
het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen. Doch allen, die Hem
aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te
worden, hun, die in zijn naam geloven; die niet uit bloed, noch uit de
wil des vlezes, noch uit de wil eens mans, doch uit God geboren zijn.
Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond en wij hebben
zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de eniggeborene
des Vaders, vol van genade en waarheid.
Johannes heeft van Hem getuigd
en heeft geroepen, zeggende: Deze was het, van wie ik zeide: Die na mij
komt, is voor mij geweest, want Hij was eer dan ik. Immers uit zijn
volheid hebben wij allen ontvangen zelfs genade op genade; want de wet
is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid zijn door Jezus Christus
gekomen. Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, die aan de
boezem des Vaders is, die heeft Hem doen kennen. En dit was het
getuigenis van Johannes, toen de Joden uit Jeruzalem priesters en
Levieten tot hem zonden om hem te vragen: Wie zijt gij? En hij beleed en
ontkende het niet; en hij beleed: Ik ben de Christus niet. En zij
vroegen hem: Wat dan? Zijt gij Elia? En hij zeide: Ik ben het niet. Zijt
gij de profeet? En hij antwoordde: Neen. Zij zeiden dan tot hem: Wie
zijt gij? Wij moeten toch antwoord geven aan hen, die ons gezonden
hebben; wat zegt gij van uzelf? Hij zeide: Ik ben de stem van een die
roept in de woestijn: Maakt recht de weg des Heren, gelijk de profeet
Jesaja gesproken heeft. En er waren sommigen afgezonden uit de Farizeeen.
En zij vroegen hem en zeiden tot hem: Waarom doopt gij dan, indien gij
de Christus niet zijt, noch Elia, noch de profeet? Johannes antwoordde
hun en zeide: Ik doop met water; midden onder u staat Hij, van wie gij
niet weet, Hij, die na mij komt, wiens schoenriem ik niet waardig ben
los te maken.
Dit geschiedde te Betanie over de Jordaan, waar Johannes doopte. De
volgende dag zag hij Jezus tot zich komen en zeide: Zie, het lam Gods,
dat de zonde der wereld wegneemt. Deze is het, van wie ik zeide: Na mij
komt een man, die voor mij geweest is, want Hij was eer dan ik. En zelf
wist ik niet van Hem, maar opdat Hij aan Israel zou geopenbaard worden,
daarom kwam ik dopen met water. En Johannes getuigde en zeide: Ik heb
aanschouwd, dat de Geest nederdaalde als een duif uit de hemel, en Hij
bleef op Hem. En ik kende Hem niet, maar Hij, die mij gezonden had om te
dopen met water, die had tot mij gezegd: Op wie gij de Geest ziet
nederdalen en op Hem blijven, deze is het, die met de heilige Geest
doopt. En ik heb gezien en getuigd, dat deze de Zoon van God is. De
volgende dag stond Johannes daar weer met twee van zijn discipelen. En
toen hij Jezus zag gaan, zeide hij: Zie, het lam Gods! En de twee
discipelen hoorden hem dat zeggen en volgden Jezus. Maar Jezus keerde
Zich om en zag, dat zij Hem volgden, en Hij zeide tot hen - Wat
zoekt gij? Zij zeiden tot Hem: Rabbi (wat, vertaald, wil zeggen:
Meester), waar houdt Gij verblijf?
- Hij sprak tot hen: Komt en gij zult het zien. Zij kwamen dan en
zagen, waar Hij verblijf hield, en zij bleven die dag bij Hem; het was
omstreeks het tiende uur.
- Andreas, de broeder van Simon Petrus, was een van de twee, die
het van Johannes gehoord hadden en Hem gevolgd waren; - deze vond
eerst zijn broeder Simon en zeide tot hem: Wij hebben gevonden de
Messias, wat betekent: Christus. - Hij leidde hem tot Jezus.
Jezus zag hem aan en zeide: Gij zijt Simon, de zoon van Johannes, gij
zult heten Kefas, wat vertaald wordt met Petrus.
- De volgende dag wilde Hij naar Galilea vertrekken en Hij vond
Filippus. En Jezus zeide tot hem: Volg Mij. - Filippus nu was uit
Betsaida, de stad van Andreas en Petrus. - Filippus vond Natanael
en zeide tot hem: Wij hebben Hem gevonden, van wie Mozes in de wet
geschreven heeft en de profeten, Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazaret. -
En Natanael zeide tot hem: Kan uit Nazaret iets goeds komen? Filippus
zeide tot hem: Kom en zie. - Jezus zag Natanael tot Zich komen en
zeide van hem: Zie, waarlijk een Israeliet, in wie geen bedrog is! -
Natanael zeide tot Hem: Vanwaar kent Gij mij? Jezus antwoordde en zeide
tot hem: Eer Filippus u riep, zag Ik u onder de vijgeboom.
- Natanael antwoordde Hem: Rabbi, Gij zijt de Zoon van God, Gij
zijt de Koning van Israel!
- Jezus antwoordde en zeide tot hem: Omdat Ik tot u gezegd heb:
Ik zag u onder de vijgeboom, gelooft gij? Gij zult grotere dingen zien
dan deze. - En Hij zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg
ulieden, gij zult de hemel open zien en de engelen Gods opstijgen en
nederdalen op de Zoon des mensen.
En op de derde dag was er een bruiloft te Kana in Galilea en de moeder
van Jezus was daar; en ook Jezus en zijn discipelen waren ter bruiloft
genodigd. En toen er gebrek aan wijn kwam, zeide de moeder van Jezus tot
Hem: Zij hebben geen wijn. En Jezus zeide tot haar: Vrouw, wat heb Ik
met u van node? Mijn ure is nog niet gekomen. Zijn moeder zeide tot hen,
die bedienden: Wat Hij u ook zegt, doet dat! Nu waren daar zes stenen
watervaten neergezet volgens het reinigingsgebruik der Joden, elk met
een inhoud van twee of drie metreten. Jezus zeide tot hen: Vult de vaten
met water. En zij vulden ze tot de rand. En Hij zeide tot hen: Schept nu
en brengt het aan de leider van het feest. En zij brachten het. Toen nu
de leider van het feest het water proefde, dat wijn geworden was (en hij
wist niet, waar deze vandaan kwam, maar de bedienden, die het water
geschept hadden, wisten het) riep de leider van het feest de bruidegom,
en hij zeide tot hem: Iedereen zet eerst de goede wijn op en als er goed
gedronken is, de mindere; gij echter hebt de goede wijn tot dit ogenblik
bewaard.
Dit heeft Jezus gedaan als begin van zijn tekenen te Kana in Galilea en
Hij heeft zijn heerlijkheid geopenbaard, en zijn discipelen geloofden in
Hem. Daarna daalde Hij af naar Kafarnaum, Hij, zijn moeder en zijn
broeders en zijn discipelen, en zij bleven daar niet vele dagen.
En het Pascha der Joden was nabij en Jezus ging op naar Jeruzalem. En
Hij vond in de tempel de verkopers van runderen en schapen en duiven, en
de wisselaars, die daar zaten. En Hij maakte een zweep van touw en dreef
allen uit de tempel, de schapen en de runderen; en het geld van de
wisselaars wierp Hij op de grond en hun tafels keerde Hij om.
En tot de duivenverkopers zeide
Hij: Neemt dit alles hier vandaan, maakt het huis mijns Vaders niet tot
een verkoophuis. En zijn discipelen herinnerden zich, dat er geschreven
is: De ijver voor uw huis zal Mij verteren. De Joden dan antwoordden en
zeiden tot Hem: Welk teken toont Gij ons, dat Gij dit moogt doen? Jezus
antwoordde en zeide tot hen: Breekt deze tempel af en binnen drie dagen
zal Ik hem doen herrijzen. De Joden dan zeiden: Zesenveertig jaren is
over deze tempel gebouwd en Gij zult hem binnen drie dagen doen
herrijzen?
Maar Hij sprak van de tempel zijns lichaams. Toen Hij dan opgewekt was
uit de doden, herinnerden zijn discipelen zich, dat Hij dit gezegd had,
en zij geloofden de Schrift en het woord, dat Jezus gesproken had.
En terwijl Hij te Jeruzalem was, op het Paasfeest, geloofden velen in
zijn naam, doordat zij zijn tekenen zagen, die Hij deed; maar Jezus zelf
vertrouwde Zichzelf hun niet toe, omdat Hij hen allen kende en omdat het
voor Hem niet nodig was, dat iemand van de mens getuigde; want Hij wist
zelf, wat in de mens was. En er was iemand uit de Farizeeen, wiens naam
was Nikodemus, een overste der Joden; deze kwam des nachts tot Hem en
zeide tot Hem: Rabbi, wij weten, dat Gij van God gekomen zijt als
leraar; want niemand kan die tekenen doen, welke Gij doet, tenzij God
met Hem is. Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar, Ik
zeg u, tenzij iemand wederom geboren wordt, kan hij het Koninkrijk Gods
niet zien. Nikodemus zeide tot Hem: Hoe kan een mens geboren worden, als
hij oud is? Kan hij dan voor de tweede maal in de moederschoot ingaan en
geboren worden? Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij
iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk Gods
niet binnengaan.
Wat uit het vlees geboren is, is
vlees, en wat uit de Geest geboren is, is geest. Verwonder u niet, dat
Ik u gezegd heb: Gijlieden moet wederom geboren worden. De wind blaast,
waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet, vanwaar
hij komt of waar hij heengaat; zo is een ieder, die uit de Geest geboren
is. Nikodemus antwoordde en zeide tot Hem: Hoe kan dit geschieden? Jezus
antwoordde en zeide tot hem: Gij zijt de leraar van Israel, en deze
dingen verstaat gij niet? Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wij spreken van
wat wij weten en wij getuigen van wat wij gezien hebben, en gij neemt
ons getuigenis niet aan. Indien Ik ulieden van het aardse gesproken heb,
zonder dat gij gelooft, hoe zult gij geloven, wanneer Ik u van het
hemelse spreek?
En niemand is opgevaren naar de hemel, dan die uit de hemel nedergedaald
is, de Zoon des mensen.
En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo moet ook de
Zoon des mensen verhoogd worden, opdat een ieder, die gelooft, in Hem
eeuwig leven hebbe.
Want alzo lief heeft God
de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een
ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe.
Want God heeft zijn Zoon niet in de wereld gezonden, opdat Hij de wereld
veroordele, maar opdat de wereld door Hem behouden worde. Wie in Hem
gelooft, wordt niet veroordeeld; wie niet gelooft, is reeds veroordeeld,
omdat hij niet heeft geloofd in de naam van de eniggeboren Zoon van God.
Dit is het oordeel, dat het
licht in de wereld gekomen is en de mensen de duisternis liever gehad
hebben dan het licht, want hun werken waren boos.
Want een ieder, die kwaad bedrijft, haat het licht, en gaat niet tot het
licht, opdat zijn werken niet aan de dag komen; maar wie de waarheid
doet, gaat tot het licht, opdat van zijn werken blijke dat zij in God
verricht zijn. Daarna ging Jezus met zijn discipelen naar het land van
Judea en Hij vertoefde daar met hen en doopte. Doch ook Johannes doopte,
te Enon bij Salim, omdat daar veel water was, en de mensen kwamen daar
en lieten zich dopen; want Johannes was nog niet in de gevangenis
geworpen. Er rees dan geschil tussen de discipelen van Johannes met een
Jood over de reiniging. En zij kwamen tot Johannes en zeiden tot hem:
Rabbi, die met u was aan de overzijde van de Jordaan en van wie gij
getuigd hebt, zie, die doopt en allen gaan tot Hem. Johannes antwoordde
en zeide: Geen mens kan iets aannemen, of het moet hem uit de hemel
gegeven zijn. Gij kunt zelf van mij getuigen, dat ik gezegd heb: Ik ben
de Christus niet, maar ik ben voor Hem uit gezonden.
Die de bruid heeft, is de bruidegom; maar de vriend van de bruidegom,
die erbij staat en naar hem luistert, verblijdt zich met blijdschap over
de stem van de bruidegom. Zo is dan deze mijn blijdschap vervuld. Hij
moet wassen, ik moet minder worden.
Die van boven komt, is boven allen; wie uit de aarde is, is uit de aarde
en spreekt van de aarde. Die uit de hemel komt, is boven allen; wat Hij
gezien en gehoord heeft, dat getuigt Hij en zijn getuigenis neemt
niemand aan.
Wie zijn getuigenis aanvaardt,
heeft bezegeld, dat God waarachtig is. Want Hij, die God gezonden heeft,
die spreekt de woorden Gods, want Hij geeft de Geest niet met mate. De
Vader heeft de Zoon lief en heeft Hem alles in handen gegeven. Wie in de
Zoon gelooft, heeft eeuwig leven; doch wie aan de Zoon ongehoorzaam is,
zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem. Toen nu de
Here vernam, dat de Farizeeen gehoord hadden, dat Jezus meer discipelen
maakte en doopte dan Johannes, (ofschoon Jezus niet zelf doopte, maar
zijn discipelen) verliet Hij Judea en vertrok weder naar Galilea. En Hij
moest door Samaria gaan. Hij kwam dan in een stad van Samaria, genaamd
Sichar, dicht bij het veld, dat Jakob aan zijn zoon Jozef gegeven had;
daar was de bron van Jakob. Jezus nu was vermoeid van de tocht en bleef
zo bij de bron zitten; het was ongeveer het zesde uur.
Er kwam een vrouw uit Samaria om water te putten. Jezus zeide tot haar:
Geef Mij te drinken. Want zijn discipelen waren naar de stad gegaan om
voedsel te kopen. De Samaritaanse vrouw dan zeide tot Hem: Hoe kunt Gij,
als Jood, van mij, een Samaritaanse vrouw, te drinken vragen? Want Joden
gaan niet om met Samaritanen.
Jezus antwoordde en zeide tot haar: Indien gij wist van de gave Gods en
wie het is, die tot u zegt: Geef Mij te drinken, gij zoudt het Hem
gevraagd hebben en Hij zou u levend water hebben gegeven. Zij zeide tot
Hem: Here, Gij hebt geen emmer en de put is diep; hoe komt Gij dan aan
het levende water? Zijt Gij soms meer dan onze vader Jakob, die ons de
put gegeven en zelf eruit gedronken heeft met zijn zonen en zijn kudden?
Jezus antwoordde en zeide tot haar: Een ieder, die van dit water drinkt,
zal weder dorst krijgen; maar wie gedronken heeft van het water, dat Ik
hem zal geven, zal geen dorst krijgen in eeuwigheid, maar het water, dat
Ik hem zal geven, zal in hem worden tot een fontein van water, dat
springt ten eeuwigen leven.
De vrouw zeide tot Hem: Here, geef mij dit water, opdat ik geen dorst
heb en niet hierheen behoef te gaan om te putten. Hij zeide tot haar: Ga
heen, roep uw man en kom hier. De vrouw antwoordde en zeide: Ik heb geen
man. Jezus zeide tot haar: Terecht zegt gij: ik heb geen man; want gij
hebt vijf mannen gehad en die gij nu hebt, is uw man niet; hierin hebt
gij de waarheid gesproken. De vrouw zeide tot Hem: Here, ik zie, dat Gij
een profeet zijt. Onze vaderen hebben op deze berg aangebeden en
gijlieden zegt, dat te Jeruzalem de plaats is, waar men moet aanbidden.
Jezus zeide tot haar: Geloof Mij, vrouw, de ure komt, dat gij noch op
deze berg, noch te Jeruzalem de Vader zult aanbidden. Gij aanbidt, wat
gij niet weet; wij aanbidden, wat wij weten, want het heil is uit de
Joden; maar de ure komt en is nu, dat de waarachtige aanbidders de Vader
aanbidden zullen in geest en in waarheid; want de Vader zoekt zulke
aanbidders;
God is geest en wie Hem aanbidden, moeten aanbidden in geest en in
waarheid. De vrouw zeide tot Hem: Ik weet, dat de Messias komt, die
Christus genoemd wordt; wanneer die komt, zal Hij ons alles verkondigen.
Jezus zeide tot haar: Ik, die met u spreek, ben het. En daarop kwamen
zijn discipelen en waren verbaasd, dat Hij met een vrouw in gesprek was,
en toch zeide niemand: Wat zoekt Gij, of: Waarom spreekt Gij met haar?
De vrouw dan liet haar kruik staan, en ging naar de stad en zeide tot de
mensen: Komt mede en ziet een mens, die gezegd heeft alles wat ik gedaan
heb: zou deze niet de Christus zijn?
Zij gingen de stad uit en kwamen tot Hem. Intussen vroegen zijn
discipelen Hem, zeggende: Rabbi, eet. Hij zeide echter tot hen: Ik heb
een spijs te eten, waarvan gij niet weet. De discipelen dan zeiden tot
elkander: Iemand heeft Hem toch niet te eten gebracht? Jezus zeide tot
hen: Mijn spijze is de wil te doen desgenen, die Mij gezonden heeft, en
zijn werk te volbrengen.
Zegt gij niet: Nog vier maanden, dan komt de oogst? Zie, Ik zeg u, slaat
uw ogen op en beschouwt de velden, dat zij wit zijn om te oogsten.
Reeds ontvangt de maaier loon en verzamelt hij vrucht ten eeuwigen
leven, opdat de zaaier zich tegelijk met de maaier verblijde.
Want hier is de spreuk waarachtig: De een zaait, de ander maait.
Ik heb u uitgezonden om datgene te maaien, wat u geen arbeid heeft
gekost; anderen hebben gearbeid en gij hebt de vrucht van hun arbeid
geplukt. En uit die stad geloofden vele der Samaritanen in Hem om het
woord der vrouw, die getuigde: Hij heeft mij gezegd alles wat ik gedaan
heb. Toen dan de Samaritanen tot Hem kwamen, verzochten zij Hem bij hen
te blijven; en Hij bleef daar twee dagen. En nog veel meer werden er
gelovig om zijn woord, en zij zeiden tot de vrouw: Wij geloven niet meer
om wat gij zegt, want wij zelf hebben Hem gehoord en weten, dat deze
waarlijk de Heiland der wereld is. En na die twee dagen vertrok Hij
vandaar naar Galilea, want Jezus zelf had getuigd, dat een profeet in
zijn vaderland niet in ere is. Toen Hij dan in Galilea kwam, ontvingen
de Galileeers Hem, omdat zij gezien hadden, al wat Hij te Jeruzalem op
het feest gedaan had, want zij waren ook zelf naar het feest geweest.
Hij kwam dan weder te Kana in Galilea, waar Hij het water tot wijn
gemaakt had. En er was te Kafarnaum een hoveling, wiens zoon ziek was.
Toen deze hoorde, dat Jezus uit Judea naar Galilea gekomen was, ging hij
tot Hem en verzocht Hem te komen en zijn zoon te genezen; want deze lag
op sterven. Jezus zeide dan tot hem: Indien gijlieden geen tekenen en
wonderen ziet, zult gij niet geloven. De hoveling zeide tot Hem: Heer,
kom af, eer mijn kind sterft. Jezus zeide tot hem: Ga heen, uw zoon
leeft! De man geloofde het woord, dat Jezus tot hem sprak, en ging heen.
En reeds terwijl hij afdaalde, kwamen zijn slaven hem tegemoet en
zeiden, dat zijn kind leefde. Hij vroeg hun naar het uur, waarop de
beterschap was ingetreden; zij zeiden tot hem: Gisteren op het zevende
uur werd hij vrij van koorts.
De vader dan bemerkte, dat het dat uur was, waarop Jezus tot hem gezegd
had: Uw zoon leeft, en hij werd zelf gelovig en zijn gehele huis. En dit
deed Jezus weder als tweede teken, toen Hij uit Judea naar Galilea
gekomen was. Daarna was er een feest der Joden en Jezus ging op naar
Jeruzalem. Nu is er te Jeruzalem bij de Schaapspoort een bad, dat in het
Hebreeuws de bijnaam Betesda draagt, met vijf zuilengangen. Daarin lag
een menigte zieken, blinden, verlamden en verschrompelden, die wachtten
op de beweging van het water. Want van tijd tot tijd daalde een engel
des Heren neder in het bad; dan bewoog het water; wie er dan het eerst
in kwam na de beweging van het water werd gezond, wat voor ziekte hij
ook had. En daar was een man, die reeds achtendertig jaar lang ziek
geweest was. Hem zag Jezus liggen en daar Hij wist, dat hij daar reeds
lange tijd was, zeide Hij tot hem: Wilt gij gezond worden? De zieke
antwoordde Hem: Here, ik heb geen mens om mij, zodra er beweging komt in
het water, in het bad te werpen; en terwijl ik onderweg ben, daalt een
ander voor mij af. Jezus zeide tot hem: Sta op, neem uw matras op en
wandel. En terstond werd de man gezond en nam zijn matras op en ging
zijns weegs. Nu was het sabbat op die dag. De Joden dan zeiden tot de
genezene: Het is sabbat en dan moogt gij uw matras niet dragen. Doch hij
antwoordde hun: Die mij gezond gemaakt heeft, die heeft tot mij gezegd:
Neem uw matras op en ga uws weegs. Zij vroegen hem: Wie is de mens, die
tot u gezegd heeft: Neem op en ga uws weegs?
En de genezene wist niet, wie het was; want Jezus was ontweken, omdat er
een grote schare op die plaats was. Daarna vond Jezus hem in de
tempel en zeide tot hem: Zie, gij zijt gezond geworden; zondig niet
meer, opdat u niet iets ergers overkome. De man ging heen en zeide tot
de Joden, dat het Jezus was, die hem gezond gemaakt had. En daarom
wilden de Joden Jezus vervolgen, omdat Hij deze dingen op sabbat deed.
Maar Hij antwoordde hun: Mijn Vader werkt tot nu toe en ik werk ook.
Hierom dan trachtten de Joden des te meer Hem te doden, omdat Hij niet
alleen de sabbat schond, maar ook God zijn eigen Vader noemde en Zich
dus met God gelijkstelde. Jezus dan antwoordde en zeide tot hen:
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, de Zoon kan niets doen van Zichzelf, of
Hij moet het de Vader zien doen; want wat deze doet, dat doet ook de
Zoon evenzo.
Want de Vader heeft de Zoon lief en toont Hem al wat Hij zelf doet, en
Hij zal Hem grotere werken tonen dan deze, opdat gij u verwondert. Want
gelijk de Vader de doden opwekt en doet leven, zo doet ook de Zoon
leven, wie Hij wil. Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft het
gehele oordeel aan de Zoon gegeven, opdat allen de Zoon eren gelijk zij
de Vader eren. Wie de Zoon niet eert, eert ook de Vader niet, die Hem
gezonden heeft. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie mijn woord hoort en
Hem gelooft, die Mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven en komt niet in
het oordeel, want hij is overgegaan uit de dood in het leven. Voorwaar,
voorwaar, Ik zeg u, de ure komt en is nu, dat de doden naar de stem van
de Zoon van God zullen horen, en die haar horen, zullen leven. Want
gelijk de Vader leven heeft in Zichzelf, heeft Hij ook de Zoon gegeven
leven te hebben in Zichzelf.
En Hij heeft Hem macht gegeven om gericht te houden, omdat Hij de Zoon
des mensen is. Verwondert u hierover niet, want de ure komt, dat allen,
die in de graven zijn, naar zijn stem zullen horen, en zij zullen
uitgaan, wie het goede gedaan hebben, tot de opstanding ten leven, wie
het kwade bedreven hebben, tot de opstanding ten oordeel.
Ik kan van Mijzelf niets doen;
gelijk Ik hoor, oordeel Ik, en mijn oordeel is rechtvaardig, want Ik
zoek niet mijn wil, doch de wil van Hem, die Mij gezonden heeft. Indien
Ik getuig van Mijzelf, is mijn getuigenis niet waar; een ander is het,
die van Mij getuigt, en Ik weet, dat het getuigenis, dat Hij van Mij
aflegt, waar is. Gij hebt tot Johannes gezonden en hij heeft van de
waarheid getuigd; maar Ik behoef het getuigenis van een mens niet, doch
Ik zeg dit, opdat gij behouden wordt. Hij was de brandende en schijnende
lamp en gij hebt u een tijdlang in zijn licht willen verheugen. Maar Ik
heb een getuigenis, gewichtiger dan dat van Johannes; want de werken,
die Mij de Vader gegeven heeft om te volbrengen, juist die werken, die
Ik doe, getuigen van Mij, dat de Vader Mij gezonden heeft.
En de Vader, die Mij gezonden heeft, die heeft van Mij getuigenis
gegeven. Gij hebt nooit zijn stem gehoord of zijn gedaante gezien, en
zijn woord hebt gij niet blijvend in u, want die Hij gezonden heeft,
gelooft gij niet. Gij onderzoekt de Schriften, want gij meent daarin
eeuwig leven te hebben, en deze zijn het, welke van Mij getuigen, en
toch wilt gij niet tot Mij komen om leven te hebben. Eer van mensen
behoef Ik niet, maar Ik ken u: gij hebt de liefde Gods niet in uzelf.
Ik ben gekomen in de naam mijns Vaders en gij neemt Mij niet aan; indien
een ander komt in zijn eigen naam, die zult gij aannemen. Hoe kunt gij
tot geloof komen, gij, die eer van elkander behoeft en de eer, die van
de enige God komt, niet zoekt? Denkt niet, dat Ik u zal aanklagen bij de
Vader; uw aanklager is Mozes, op wie gij uw hoop gevestigd hebt. Want
indien gij Mozes geloofdet, zoudt gij ook Mij geloven, want hij heeft
van Mij geschreven. Maar indien gij zijn geschriften niet gelooft, hoe
zult gij mijn woorden geloven? Daarna vertrok Jezus naar de overzijde
van de zee van Tiberias in Galilea. En Hem volgde een grote schare,
omdat zij de tekenen zagen, die Hij aan zieken verrichtte. En Jezus ging
de berg op en zat daar neder met zijn discipelen. En het Pascha, het
feest der Joden, was nabij. Toen Jezus dan de ogen opsloeg en zag, dat
een grote schare tot Hem kwam, zeide Hij tot Filippus: Waar zullen wij
broden kopen, dat dezen kunnen eten Maar dit zeide Hij om hem op de
proef te stellen, want Hij wist zelf, wat Hij doen zou. Filippus
antwoordde Hem: Tweehonderd schellingen brood is voor dezen niet genoeg,
als ieder een kleine hoeveelheid zal krijgen. Een van zijn discipelen,
Andreas, de broeder van Simon Petrus, zeide tot Hem: Hier is een jongen,
die vijf gerstebroden en twee vissen heeft; maar wat betekent dit voor
zovelen? Jezus zeide: Laat de mensen gaan zitten. Nu was er veel gras op
die plaats. De mannen gingen dus zitten, ten getale van omstreeks
vijfduizend. Jezus dan nam de broden, dankte en verdeelde ze onder hen,
die daar zaten, evenzo van de vissen, zoveel zij wensten.
En toen zij verzadigd waren, zeide Hij tot zijn discipelen: Verzamelt de
overgebleven brokken, opdat niets verloren ga. Zij verzamelden die dus
en vulden twaalf korven met brokken van de vijf gerstebroden, die
overgeschoten waren, nadat men gegeten had. Toen dan de mensen zagen,
welk teken Hij verricht had, zeiden zij: Deze is waarlijk de profeet,
die in de wereld komen zou. Daar Jezus bemerkte, dat zij zouden komen en
Hem met geweld meevoeren om Hem koning te maken, trok Hij Zich weder
terug in het gebergte, geheel alleen. En toen het avond geworden was,
gingen zijn discipelen naar de zee (6-16b) en begaven zich in een schip
over de zee naar Kafarnaum. (6-17a) En het was reeds donker geworden en
Jezus was nog niet tot hen gekomen,
en de zee werd onstuimig, daar er een harde wind woei. Toen zij dan
vijfentwintig of dertig stadien hadden geroeid, zagen zij Jezus over de
zee gaan en dicht bij het schip komen, en zij werden bevreesd.
Maar Hij zeide tot hen: Ik ben het, weest niet bevreesd. Zij wilden Hem
dan in het schip nemen en terstond bereikte het schip het land, waar zij
heengingen.
De volgende dag zag de schare, die aan de andere zijde van de zee stond,
dat daar geen ander scheepje was geweest dan een, en dat Jezus niet met
zijn discipelen in dit schip gegaan was, maar dat zijn discipelen alleen
waren weggevaren.
Doch er kwamen andere scheepjes uit Tiberias bij de plaats, waar zij het
brood gegeten hadden, nadat de Here gedankt had. Toen dan de schare zag,
dat Jezus daar niet was en ook zijn discipelen niet, gingen ook zij in
de scheepjes en kwamen te Kafarnaum om Jezus te zoeken. En toen zij Hem
aan de overkant der zee vonden, zeiden zij tot Hem: Rabbi, wanneer zijt
Gij hier gekomen? Jezus antwoordde hun en zeide: Voorwaar, voorwaar, Ik
zeg u, gij zoekt Mij, niet omdat gij tekenen gezien hebt, maar omdat gij
van de broden gegeten hebt en verzadigd zijt. Werkt niet om de spijs,
die vergaat, maar om de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven,
welke de Zoon des mensen u geven zal; want op Hem heeft God, de Vader,
zijn zegel gedrukt. Zij zeiden dan tot Hem: Wat moeten wij doen, opdat
wij de werken Gods mogen werken? Jezus antwoordde en zeide tot hen: Dit
is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, die Hij gezonden heeft. Zij
zeiden dan tot Hem: Wat voor teken doet Gij dan, opdat wij mogen zien en
U geloven? Wat voor werk doet Gij? Onze vaderen hebben het manna in de
woestijn gegeten, zoals geschreven is: Brood uit de hemel gaf Hij hun te
eten. Jezus zeide dan tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, niet Mozes
heeft u het brood uit de hemel gegeven, maar mijn Vader geeft u het ware
brood uit de hemel; want dat is het brood Gods, dat uit de hemel
nederdaalt en aan de wereld het leven geeft. Zij zeiden dan tot Hem:
Here, geef ons altijd dit brood. Jezus zeide tot hen: Ik ben het brood
des levens; wie tot Mij komt, zal nimmermeer hongeren en wie in Mij
gelooft, zal nimmermeer dorsten.
Maar Ik heb u gezegd, dat gij
niet gelooft, ook al hebt gij Mij gezien.
Alles wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen, en wie tot Mij komt,
zal Ik geenszins uitwerpen. Want Ik ben van de hemel nedergedaald, niet
om mijn wil te doen, maar de wil van Hem, die Mij gezonden heeft. En dit
is de wil van Hem, die Mij gezonden heeft, dat Ik van alles wat Hij Mij
gegeven heeft, niets verloren late gaan, maar het opwekke ten jongsten
dage. Want dit is de wil mijns Vaders, dat een ieder, die de Zoon
aanschouwt en in Hem gelooft, eeuwig leven hebbe, en Ik zal hem opwekken
ten jongsten dage. De Joden dan morden over Hem, omdat Hij gezegd had:
Ik ben het brood, dat uit de hemel nedergedaald is, en zij zeiden: Is
dit niet Jezus, de zoon van Jozef, wiens vader en moeder wij kennen? Hoe
zegt Hij nu: Ik ben uit de hemel nedergedaald? Jezus antwoordde en zeide
tot hen: Mort niet onder elkander.
Niemand kan tot Mij komen,
tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke, en Ik zal hem
opwekken ten jongsten dage. Er is geschreven in de profeten: En zij
zullen allen door God geleerd zijn. Een ieder, die het van de Vader
gehoord en geleerd heeft, komt tot Mij.
Niet, dat iemand de Vader gezien heeft; alleen die van God komt, die
heeft de Vader gezien. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie gelooft, heeft
eeuwig leven. Ik ben het brood des levens. Uw vaderen hebben in de
woestijn het manna gegeten en zij zijn gestorven; dit is het brood, dat
uit de hemel nederdaalt, opdat wie ervan eet, niet sterve.
Ik ben het levende brood, dat uit de hemel nedergedaald is. Indien
iemand van dit brood eet, hij zal in eeuwigheid leven; en het brood, dat
Ik geven zal, is mijn vlees, voor het leven der wereld.
De Joden dan streden onderling en zeiden: Hoe kan deze ons zijn vlees te
eten geven? Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u,
tenzij gij het vlees van de Zoon des mensen eet en zijn bloed drinkt,
hebt gij geen leven in uzelf. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt,
heeft eeuwig leven en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage. Want mijn
vlees is ware spijs en mijn bloed is ware drank. Wie mijn vlees eet en
mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. Gelijk de levende Vader
Mij gezonden heeft en Ik leef door de Vader, zo zal ook hij, die Mij
eet, leven door Mij.